Reactie VVD Maasdriel op Memorandum rekenkamercommissie

In de Raadsvergadering van donderdag 15 december 2016 heeft de VVD Maasdriel een betoog gehouden met betrekking tot agendapunt 12: 'Twaalfde rekenkameronderzoek Maasdriel en de Raad van State.

Na de commissievergadering heeft de VVD Maasdriel zich verder verdiept in de materie en heeft zelf onderzoek gedaan naar alle uitspraken die in de periode 2013-2015 zijn gedaan via de website van de Raad van State en zijn tot de volgende eindconclusie gekomen.

1.    Dat de conclusie die de rekenkamercommissie op pagina 7 vijfde bullet  van het memorandum  trekt juist is, maar dat dit uitsluitend de aanhangig gemaakte hoger beroepen betreft en deze conclusie een vertekend beeld geeft.

2.    Dat niet duidelijk is waarom de rekenkamer slechts een eenzijdige conclusie trekt;

3.    De conclusies van de rekenkamercommissie op pagina 7, tweede en derde bullet trekt, zijn aantoonbaar onjuist. Uit de analyse van de VVD blijkt dat de burger in zijn beroep tegen bestemmingsplannen juist grotendeels gelijk krijgt van de Raad van State en dus terecht tegen de gemeente opkomt omdat de meeste bestemmingsplannen niet ongeschonden langs de Raad van State komen. De verdeling van het aantal zaken is helemaal niet evenwichtig: de burger wint de meeste zaken als het om bestemmingsplannen gaat.

4.    De conclusie van de rekenkamercommissie op pagina 8, eerste bullet is aantoonbaar onjuist. Het hoge aantal zaken (waarschijnlijk ten opzichte van andere gemeenten) heeft wat betreft de bestemmingsplannen, juist wel te maken met de gemeente: college en raad doen hun huiswerk kennelijk niet goed volgens de raad van state.

5.    De conclusie van de rekenkamercommissie op pagina 8, tweede bullet is aantoonbaar onjuist: uit de analyse van de VVD blijkt dat het globaal om twee soorten zaken gaat: hoger beroepen en beroepen in eerste aanleg tegen bestemmingsplannen.

6.    De rekenkamercommissie  heeft geen rekening heeft gehouden met de uitkomsten van het aantal zaken in eerste aanleg, en het kostenaspect dat daarmee samenhangt. Aangezien de meeste beroepen tegen bestemmingsplannen slagen, moet het college van B en W vaker proceskostenvergoedingen en vergoedingen van griffierechten aan burgers betalen. Daarnaast nemen de kosten als gevolg van het moeten repareren van bestemmingsplannen toe.

7.    Dat de gemeente Maasdriel er in de periode 2013 tot en met 14 december 2016 niet in is geslaagd om door de raad in deze periode vastgestelde bestemmingsplannen in zijn geheel langs de raad van state heeft gekregen. Er is in de periode 2013-2015 slechts 1 bestemmingsplan per jaar ongeschonden langs de Raad van State gekomen.

8.    De algehele conclusie is dat de gemeente Maasdriel het helemaal niet zo goed doet als is voorgesteld door de rekenkamer samen met de conclusie die door de coalitiepartijen klakkeloos is overgenomen. De rekenkamer heeft geen onderzoek gedaan naar de kosten die samenhangen met reparaties van bestemmingsplannen en het aantal gevallen waarin de gemeente proceskosten en griffierechten aan de gemeente moest betalen.

9.    De aanbevelingen die de rekenkamercommissie doet op pagina 8 zijn onjuist: het beeld dat de gemeente het niet goed doet is wel juist ten aanzien van beroepen tegen bestemmingsplannen, maar dat zegt de rekenkamercommissie niet. Ook de tweede aanbeveling is onjuist: deze conclusie gaat misschien gedeeltelijk om ten aanzien van het aantal hoger beroepen. Dat geldt zeker niet voor de bestemmingsplannen: in plaats van de burger voorlichting te geven, zou de gemeente haar huiswerk eerst maar eens goed moeten doen en zorgen dat een bestemmingsplan goed in elkaar zit. Dat zou wel eens veel beroepen van burgers/bedrijven kunnen schelen en zou er ook voor zorgen dat een bestemmingsplan in de toekomst wel ongeschonden de eindstreep haalt.


Advies VVD fractie aan de Raad: dit agendapunt van de agenda te halen en eventueel op een later tijdstip terug te laten komen omdat:

  • nut en noodzaak van het vaststellen van dit agendapunt niet vast staan;
  • college en raad eerst eens de hand in eigen boezem moeten steken alvorens zij de burger/bedrijven aanspreken/advies/voorlichting geven. Pas wanneer college en raad hun zaken op orde hebben, zijn zij zowel feitelijk als moreel in staat om dat te doen.

Voor een volledige analyse van ons onderzoek verwijzen wij naar de bijlage.